De ware oorsprong van Black Friday: van politie-impasse tot winst

10

De zinsnede Black Friday begon niet als een viering van besparingen. Het begon als een klacht. In de jaren zestig gebruikte de politie van Philadelphia de term om de chaos te beschrijven. Het verkeer raakte lam. De menigte was overweldigend. De dag na Thanksgiving was een logistieke nachtmerrie voor wetshandhavers die het winkelend publiek tijdens de feestdagen begeleidden.

Jarenlang bleef de term lokaal. Pas in de jaren tachtig verspreidde het zich door het land. Toen kwamen retailers tussenbeide. Ze wilden het verhaal opnieuw vormgeven. In plaats van zich te concentreren op de files, propageerden ze het idee dat winkels in het zwart gingen. In boekhoudkundige termen betekent ‘in the black’ zijn dat een bedrijf winstgevend is. Deze rebranding-inspanning was opzettelijk. Het verlegde de focus van politiehoofdpijn naar financieel succes.

Retailers probeerden de naam te veranderen. Sommigen drongen aan op Grote Vrijdag. Het bleef niet hangen. De oorspronkelijke term bleef bestaan. In de jaren negentig had Black Friday zich tot buiten de VS uitgebreid. Het werd een wereldwijd winkelfenomeen.

De naam evolueerde van een klacht van de lokale politie naar een landelijk symbool van de winstgevendheid van de detailhandel.

Tegenwoordig heeft de term een ​​ander gewicht. Het luidt het begin van het vakantieseizoen in. Het markeert het punt waarop veel detailhandelaren eindelijk hun kosten voor het jaar kunnen dekken. Het verkeer is nog steeds slecht. De drukte is nog steeds enorm. Maar het verhaal gaat nu over de winstmarges, niet alleen over politierapporten.